Idiografische methode

individu_iLab

De term idiografisch werd voor het eerst geintroduceerd door de Duitse filosoof Wilhelm Windelband in het eind van de negentiende eeuw (Windelband, 1894). Idiografisch onderzoek heeft tot doel om gepersonaliseerde vragen op individueel niveau te beantwoorden in tegenstelling tot onderzoek uitgevoerd op nomothetisch of groepsniveau (Robinson, 2011). 

Tegenwoordig is één van de toepassingen van de idiografische methode binnen de psychiatrie om modellen te ontwikkelen die kunnen voorspellen welke factoren de klachten van een patiënt verergeren en welke factoren de klachten verminderen. Dit gebeurt meestal door dagboekonderzoek. Een patiënt wordt dan onderzocht in zijn natuurlijke, dagelijkse, omgeving en vult één of meerdere keren per dag een (digitaal) dagboek in gedurende een langere periode (weken, soms maanden).

In het dagboek beantwoordt de patiënt zowel vragen over zijn of haar klachten als over andere zaken of gebeurtenissen die deze klachten zouden kunnen beïnvloeden. Denk hierbij aan de rol van leefstijlfactoren, zoals mate van beweging, slaap of de sociale omgeving. Daarnaast kunnen fysiologische parameters, zoals hartslag of het stresshormoon cortisol, herhaaldelijk gemeten worden en in relatie tot de klachten worden onderzocht.

Het doel is om per patiënt de factoren in kaart te brengen die zijn of haar klachten beïnvloeden. Dit kan vervolgens aanknopingspunten bieden voor de behandeling of terugval preventie.

  • Windelband, W. & Oakes, G. (1894). History and natural science. History and Theory, 19: 165-168.
  • Windelband, W. (1905). A History of Philosophy. New Jersey: Paper Tiger.
  • Robinson, O.C. (2011). The Idiographic / Nomothetic Dichotomy: Tracing Historical Origins of Contemporary Confusions. History & Philosophy of Psychology, 13: 32–3